Opbouw van lesgeven - Schaken met plezier - schaken op school

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Schoolschaken > Lesmethode


SCHAKEN MET PLEZIER
schaken op school

Opbouw van lesgeven

De eerste stap
(informatie uit handleiding voor schaaktrainers stap 1 - Cor v Wijgerden)

De schaakontwikkeling van het kind

Schaken heeft een enorme aantrekkingskracht op kinderen. De schaakstukken fascineren hen door de vorm en de bewegingen over het bord. Het is een spel waar je zelf de baas kunt spelen en de consequenties van je daden zijn dan ook geheel voor eigen rekening. Geluk of pech, zoals bij spelletjes als ‘Mens erger je niet’ is er niet. Kortom, kinderen vinden het een leuk spel, zelfs ‘cool’.
Slaan
Na het aanleren van de loop van de stukken en het slaan wordt het spelen een feest. Het eerste doel van het spel wordt voor de kinderen het slaan van de stukken van de tegenstander. In slagorde worden de geslagen stukken keurig naast elkaar langs de kant van het bord gezet, het liefst aan de eigen kant. Regelmatig wordt de buit geteld. Kinderen tellen ook nog als er in de tussentijd niets geslagen is.
Slaan wordt voor de kinderen het doel van het spel. Het maakt hun niet zo veel uit of er materiaal verloren gaat. Zelfs als zij het begrip mat kennen en deels weten toe te passen, blijven zij zo gefascineerd door het slaan dat dat het eerste is waar zij op uit zijn. Zij kiezen een stuk uit (elk kind heeft zijn eigen voorkeur) en gaan daarmee op jacht. Sneuvelt het stuk dan is het volgende aan de beurt. Komt een van de spelers mat te staan dan is dat vaak bij toeval en het overvalt beide spelers als een verassing. Het liefst zouden ze doorspelen! “Je staat mat” wordt gecompenseerd door “Ja, maar ik heb jouw dame”.

Materiaalfase (stap 1)
De periode waarin de kinderen zo met het materiaal bezig zijn is goed herkenbaar. We noemen deze periode: de materiaalfase. De kinderen verkennen de stukken en hun werking en van lieverlee worden zij vaardiger met spelen. Ze aarzelen niet meer bij de loop van een stuk. Het helpt de kinderen enorm in hun schaakontwikkeling als zij de kans krijgen om deze materiaalfase in eigen tempo zo volledig mogelijk te doorlopen. Het voorkomt onder meer het weg blijven geven van stukken in latere partijen.

Ruimtelijke fase (stap 2)
Het begrip mat beheersen en het gericht zoeken naar mat sorteren alleen voldoende effect als een kind tijdens de materiaalfase inzicht gaat krijgen in de ruimte-indeling op het bord. Het moet ontdekken dat de werking van de stukken zich niet alleen uitstrekt naar andere stukken maar ook naar velden. Pas dan is er sprake van (een poging tot) ruimtebeheersing. De leerlingen bereiken een nieuwe fase, zonder natuurlijk de oude geheel te verlaten: de ruimtelijke fase. Met deze fase starten zonder met de voorafgaande rekening te houden, leidt tot onnodig meer fouten in de partijen van de kinderen.
Het duurt daarna een hele tijd voor de kinderen de volgende fase bereiken.

Tijdfase (stap 3)
Bij schaken spelen we zetten met een bepaald doel. Om een specifieke doel te bereiken hebben we tijd nodig. Tijd drukken we uit in zetten. Schakers noemen een zet een tempo (tijd in het Italiaans).
Hoe sterker we gaan spelen des te groter wordt het belang van een tempo. Zelfs het spelen met wit is dan een voordeel omdat wit mag beginnen.
De derde fase van de ontwikkeling noemen we de tijdfase. Dat duurt een aantal jaren voordat een kind zover is.
In de eerste stap hebben de leerlingen geen notie van het belang van tijd. Zij verzinnen soms prachtige plannetjes van enkele zetten diep. Helaas kan de tegenstander als het zover is de dreiging in één zet pareren. Zonde van de tijd, maar kinderen ervaren nog niet dat zij de verloren zetten nuttiger hadden kunnen besteden. Ook de kinderen in de tweede stap achtervolgen nog vol goede moed met hun koning een vijandelijke pion. Dat je door ‘domme’ zetten in feite een beurt kunt verliezen, komt bij hen wel op, maar de wens dat de tegenstander de dreiging niet ziet, overheerst.
Door de lessen en de praktijkbesprekingen krijgen zij vanaf de tweede stap steeds meer vat op het feit dat een schaakpartij meer is dan een reeks afzonderlijke zetten. Door het maken van opgaven leren zij het belang van zetten vooruit zien en leren de kinderen dat je materiaal kunt ‘inruilen’ voor ruimte en tijd. We zijn dan al wel in Stap 3.

Het lesgeven

Leerstofvolgorde
In welke volgorde moet de leerstof aan de orde komen? Veel leerboeken kiezen voor de ‘logische’ aanpak en leren zo snel mogelijk mat aan, omdat dat de bedoeling van het spel is. In de stappenmethode komt mat pas in les 7 aan bod. Waarom? Mat is een begrip waarvoor de leerling onder meer kennis moet hebben van de loop van de stukken, aanval en verdedigen. Een voldoende beheersen van het begrip verdedigen is alleen al een hele klus.
De structuur van de leerstof bij schaken kent daarom een afhankelijke opbouw. Leerlingen moeten bepaalde leerstofonderdelen beheersen voordat zij een volgende onderdeel met succes kunnen leren. Aan mat beginnen voordat de leerlingen alle begrippen uit de voorgaande lessen voldoende onder de knie hebben, verlaagt de kans op beheersing van mat en de volgende onderdelen.

Volgorde van de lessen in de eerste stap
De volgorde van de lessen is afhankelijk van diverse factoren:
1. Logische noodzaak
Bij de behandeling van het mat moeten alle deelbegrippen bekend zijn (loop van de stukken, aanval, slaan, vormen van verdedigen, schaak en schaak opheffen)
2. Belangrijkheid, nuttigheid.
Mat is de bedoeling van het spel en moet dus zo snel mogelijk worden behandeld. De kinderen willen partijtjes spelen. Een spelregel als ‘rokade’ moet en kan daarom ook wachten.
3. Variatie, afwisseling
Lessen met dezelfde soort inhoud moeten niet vlak achter elkaar worden gegeven. De loop van de pion komt daarom nier direct na de les ‘Loop van de stukken’.
4. Leeftijd en niveau
Bij jonge kinderen en zwakkere groepen kan de tweevoudige aanval zonder meer tot een later moment wachten.

Volgorde binnen de lessen
Het is nuttig om rekening te houden met de volgende principes:
1. Van concreet naar abstract
Aan de hand van voorbeelden leggen we de regel uit.
2. Van makkelijk naar moeilijk
De loop van de toren is voor een kind veel gemakkelijker dan dat van een paard. Dat bepaalt dat de toren eerder aan bod komt. De pion lijkt eenvoudig, maar door de vele extra regels (de dubbele stap, het rechte gaan, maar het schuine slaan, niet achteruit spelen en de promotie) is het beter zijn behandeling wat uit te stellen.
3. Van belangrijk naar minder belangrijk
De spelregel ‘en passant’ slaan is minder belangrijk voor de partijen van de leerlingen en komt dus pas aan het eind van de stap aan bod. Bij dekken komen de directe vormen als eerste aan de beurt.
4. Van eenvoudig naar complex
Eerst zetten we mat aan de rand van het bord met een stuk dat gedekt staat, pas daarna komen matbeelden met meer dan twee stukken en in het midden van het bord aan bod.
5. Van algemene regel naar bijzondere
Eerst leren we verdedigen aan en dan pas schaak opheffen
6. Enkelvoudig begrip naar meervoudig
Eerst komt dekken aan de beurt en pas dan het tussenplaatsen waarbij het tussen te plaatsen stuk gedekt moet staan.


 
 
Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu